Het oordeel van Christus over de volken.

 

Wanneer de Mensenzoon komt, omstraald door luister en in gezelschap van alle engelen, zal Hij plaatsnemen op zijn glorierijke troon. Dan zullen alle volken voor Hem worden samengebracht en zal Hij de mensen van elkaar scheiden zoals een herder de schapen van de bokken scheidt; de schapen zal Hij rechts van zich plaatsen, de bokken links.

Dan zal de koning tegen de groep aan zijn rechterzijde zeggen: “Jullie zijn door mijn Vader gezegend, kom en neem deel aan het Koninkrijk dat al sinds de grondvesting van de wereld voor jullie bestemd is. Want Ik had honger en jullie gaven Mij te eten, Ik had dorst en jullie gaven Mij te drinken. Ik was een vreemdeling en jullie namen Mij op, Ik was naakt en jullie kleedden Mij. Ik was ziek en jullie bezochten Mij, Ik zat gevangen en jullie kwamen naar Mij toe.


……….En de koning zal hun antwoorden: “Ik verzeker jullie: alles wat jullie gedaan hebben voor één van de geringsten van mijn broeders of zusters, dat hebben jullie voor Mij gedaan.” 

(Mattheus 25:31-35, vers 40 NBV21)


Allereerst is van belang te weten wie de “geringste van mijn broeders of zusters” zijn. Jezus heeft daarover eerder gesproken in Mattheus 12: 47-50 (NBV21): “Iemand zei tegen Hem: ‘Uw moeder en uw broers staan buiten, ze willen U spreken.’ Hij antwoordde: ‘Wie is mijn moeder en wie zijn mijn broers?’  Hij maakte een gebaar naar zijn leerlingen en zei: ‘Dat zijn mijn moeder en mijn broers. Want ieder die de wil van mijn Vader in de hemel doet, is mijn broer en mijn zus en mijn moeder.’

 

In de Nije Fryske Bibeloersetting (Matthéus 25 : 31-33) staat niet “schapen en bokken”, maar schapen en geiten. “…. Alle folken sille dan foar Him brocht wurde en Hy sil se faninoar skiede, sa’t in hoeder dat docht mei skiep en geiten. De skiep sil Er rjochts fan Him delsette, de geiten links.” Er is veel voor te zeggen om uit te gaan van de Fryske vertaling, schapen en geiten.

Zouden alleen de bokken worden afgezonderd van de schapen dan zou er een gemengde kudde overblijven van ooien, rammen en geitenvrouwtjes. Wat de Heer Jezus in deze vergelijking echter uitlegt, is het verschil tussen beiden in hun natuurlijke aard en gedrag.


Laten we enige karaktereigenschappen van deze dieren eens op een rijtje zetten, met in ons achterhoofd de gedragingen die mensen in hun levenswandel en geloof ten toon spreiden. Van een schaap kun je zeggen dat het een volgzaam dier is dat zich goed laat leiden door de herder, waarop ze ook vertrouwen. Bij het scheren protesteren ze niet met veel geblaat, zelfs niet als ze ter slachting worden geleid. Schapen zijn volgzamer, zachtmoediger niet zo eigenzinnig als een geit. Schapen zijn goed voor de weide en laten de grasmat heel bij het grazen. Geiten zijn eigenzinnig, druk en beweeglijk, nukkig, niet zo volgzaam, met een bek vol lekker hooi mekkeren ze nog om meer, ze zijn ongeduldiger en vaker ontevreden. Met hun manier van grazen trekken ze nogal eens de hele graspol uit de grond, ze reiken naar jong groen aan bomen, eten van boomschors en laten bij beweiding een beschadigde grasmat achter vooral bij nat weer. Dit komt door hun smalle harde poten. Ze beklimmen soms overmoedig hoger gelegen rotsen en breken nogal eens uit. Schapen weiden veel rustiger, hun hoeven maken de grond vlak en egaal wat de grasmat te goede komt.

Jezus gebruikte vaak voorbeelden die de mensen aanspraken. Zo ook hier als Hij het heeft over het scheiden van de schapen en de geiten. Men was gewoon schapen en geiten in een gemengde kudde te weiden. Maar ’s avonds werden voor het melken de schapen van de geiten gescheiden.


Jezus zegt: “Dan zullen alle volken voor Hem worden samengebracht en zal Hij de mensen van elkaar scheiden zoals een herder de schapen van de geiten scheidt.” Er verder staat in de Schrift: in vers 32 “…..en zal Hij de mensen van elkaar scheiden….”

Er zijn dus twee gebeurtenissen. Als eerste worden alle volken samengebracht en voor Christus gesteld.

De tweede gebeurtenis is dat de mensen uit de volken van elkaar worden gescheiden, zoals de herder dat doet met de schapen en de geiten. Voor het antwoord op de vraag of de mensen worden geoordeeld op grond van het feit dat zij behoren tot een bepaald volk, danwel of zij worden beoordeeld op grond van hun persoonlijke levenswandel en geloof, vinden we steun in de Schrift en wel bij Genesis 18: 23-26 en vers 32 (HSV). Het gebed van Abraham voor Sodom en Gomorra.


Abraham vraagt eerbiedig en nederig aan God: ”Zult U ook de rechtvaardige tegelijk met de goddeloze wegvagen?

Misschien zijn er vijftig rechtvaardigen binnen de stad; wilt U hen ook wegvagen en de plaats niet sparen omwille van de vijftig rechtvaardigen die daarin zijn? Er kan toch geen sprake van zijn dat U zoiets doet, dat U de rechtvaardige samen met de goddeloze doodt? Dan zal het zijn: zo de rechtvaardige, zo de goddeloze. Daar kan bij U toch geen sprake van zijn! Zou de Rechter van de hele aarde geen recht doen?” Gods antwoord is uiteindelijk dat ook al zouden er maar 10 rechtvaardigen in de stad zijn, dat God dan de stad zou sparen omwille van die 10 rechtvaardigen, maar ze waren er niet.


Voor de rechterstoel van Christus zal het oordeel eveneens rechtvaardig zijn. Ieder wordt persoonlijk beoordeeld maar de rechtvaardigen uit het volk zullen niet tot redding voor het gehele volk dienen. Er is maar Eén Die de mens kan redden en behouden voor het Eeuwige Leven en dat is Jezus Christus Zelf voor wie in Hem te geloven en Hem gehoorzamen in woord en daad.


 “ Dan zal de Koning tegen de groep aan zijn rechterzijde zeggen: “Jullie zijn door mijn Vader gezegend, kom en neem deel aan het Koninkrijk dat al sinds de grondvesting van de wereld voor jullie bestemd is.” Dat betekent dat God van de grondlegging van de wereld af al had besloten welke mensen zijn Koninkrijk zouden beërven, het zijn de mensen die Jezus beschrijf als de schapen en de rechtvaardigen.


Dat zijn de schapen die de Goede Herder hebben gevolgd, waarvan Jezus zegt: ´Mijn schapen luisteren naar mijn stem, Ik ken ze en zij volgen Mij. Ik geef ze eeuwig leven: ze zullen nooit verloren gaan en niemand zal ze uit mijn hand roven.

Wat mijn Vader Mij gegeven heeft gaat alles te boven, niemand kan het uit de hand van mijn Vader roven, en de Vader en Ik zijn één.’´ (Joh.10 : 27 – 30, NBV21).


Wat een heerlijke Belofte van onze Heer en Heiland!